Opzij, opzij, opzij

Opzij, opzij, opzij, maak plaats, maak plaats, maak plaats... Een regel uit het lied van Herman van Veen, maar jarenlang ook het ritme van mijn leven. Alles moest sneller, efficiënter, zonder onnodige energieverspilling, dacht ik.

Eten, praten, lopen - het moest altijd in de hoogste versnelling. Zelfs ontspannen gebeurde haastig. Kan je het je voorstellen? Totdat ik na mijn eerste topsportcarrière tegen de grenzen van mijn eigen tempo aanliep. Een burn-out werd vastgesteld, ik liep vast. Waar die onrust vandaan kwam? Dat wist ik niet precies.

Mijn moeder, jarenlang mijn steun en toeverlaat - chauffeur, sponsor, supporter en mental coach - voelde dat ik vastliep. Ze stelde voor dat ik met een haptotherapeut ging praten, ze kent van de opleiding die ze zelf ook heeft gevolgd een aantal therapeuten. En zo kwam ik bij Paulien terecht, met wie het meteen klikte.

Tijdens een van onze eerste sessies stelde ze een vraag die alles veranderde: Waarom ren je altijd de trap op?

Ik viel stil. Het was nooit eerder in me opgekomen dat het anders kon. Niemand had mij die vraag eerder gesteld. Maar ineens viel het me overal op. Mijn looptempo was een lichte sprint, mijn bewegingen gehaast, mijn rusteloosheid eindeloos. Stilzitten voelde als tijdverspilling.

Die dag besloot ik te vertragen. Niet omdat iemand het me oplegde, maar omdat ik voelde dat het zo niet meer verder kon. Het lijkt een kleine aanpassing maar toentertijd voelde het als een opgave, maar het veranderde alles.

Nu ren ik de trap niet meer op. Meestal vraag ik anderen zelfs om langzamer te lopen. Mijn onrust is niet verdwenen, maar ik herken hem nu. Soms is verlangzamen de enige manier om in alle opzichten vooruit te komen.

Om dit extra kracht bij te zetten, liet ik een tattoo zetten met de tekst: Don’t rush. Mijn tweede tattoo, naast de Paralympische tekens (Agitos).

Vorige
Vorige

Hartkloppingen

Volgende
Volgende

Veranderd, maar niet vergeten