Strak regime

Topsport betekende jarenlang een strak regime voor mij. Een ‘alles of niets’ mentaliteit. Ik dacht daar zo over en mijn toenmalige coach net zo, het was heel normaal om aan de top te komen werd mij verteld. Die ‘alles of niets’ mentaliteit was er niet altijd al, deze slijt er langzaam in en wordt onderdeel van je identiteit.

De wekker om 04:15, zes dagen per week, om 05:30 lag ik in het water. Om 07:30 was dat klaar en liepen we vijftig meter verder naar het krachthonk, waar we nog eens anderhalf uur aan de bak gingen. Daarna uitgeput naar huis. Terwijl de rest van de wereld nog maar net aan de eerste kop koffie begon, had ik al 3,5 uur training achter de rug. En dit was het ochtendprogramma, in de avond deden het ‘kunstje’ nog eens over.

Dit was 2,5 jaar, 6 dagen per week, het schema. Als ik eraan terugdenk, schrik ik van de intensiteit. Tegelijkertijd koester ik die vroege ochtenden. Ze waren zwaar, ja, maar ook fantastisch. Soms verlang ik nog terug naar dat ritme, die focus op alleen het zwemmen. Want als topsporter ben je constant bezig met het bouwen aan de beste versie van jezelf, alles gericht naar dat ene moment en de droom: de Paralympische Spelen in Tokyo.

Ik was 16 toen ik besloot om voor Tokyo te gaan. Ik kocht een poster online – afgebeeld een zwaard met Olympische ringen (het was het beste wat ik kon vinden). Ik hing hem op in mijn slaapkamer en zette mijn handtekening erop. Dat was mijn belofte aan mezelf: ik zou er alles aan doen, maar dan ook écht alles, om mijn droom te halen.

Dat commitment bracht me in een vast ritme van 25 á 30 trainingsuren per week. Maar alleen uren maken was niet genoeg. Het draaide om kwaliteit. Iedere zwemslag moest raak zijn. In de sportschool moest 100 kilo squatten beter worden -> 110 kilo. Hadden we nog 5 minuten over? Dan nog even die extra paar starts oefenen; die konden het verschil maken op een kwalificatiemoment.

Het ging verder dan alleen de training. Ik zette mijn studie op pauze, liet mijn sociale leven links liggen en alles wat ik at werd minutieus bekeken. Was het niet dopinggevoelig? Zo ja, dan was het uitgesloten. En dan waren er nog die dopingcontroles. Met de Whereabouts-app moest ik dagelijks aangeven waar ik was, binnen een specifiek tijdsblok. Een gemiste test? Dat leverde een waarschuwing op. Drie waarschuwingen? Dan hing er een schorsing boven je hoofd. Serious business dus.

Alles moest perfect zijn. Als iets niet goed genoeg was, ging ik terug en deed ik het opnieuw – tot het wél perfect was. ‘Prima’ was geen optie. Ik schrijf dit op en ik merk op dat ik het benauwd krijg.

Toen ik afgelopen september besloot om opnieuw aan topsport te doen, maakte ik één afspraak met mezelf: dit keer gaan we het anders doen. Natuurlijk, hard werken blijft de norm – topsport vraagt dat. Maar niet meer tot aan het dwangmatige toe. Het streven naar perfectie zit nog steeds in mijn systeem, dat is mijn aard. Maar nu heb ik een team van coaches die me af en toe terugfluiten.

Sommige van die strikte routines uit het verleden zullen terugkomen. Het is nu eenmaal hard werken. Mijn innerlijke stem blijft zeggen: ‘alles of niets’. Maar dit keer ga ik voor iets nieuws: balans. Ik ga dit anders doen. ‘Het is oké als die nieuwe oefening vandaag niet lukt’. Slaap je wat later? Geniet ervan! ‘Ben je ziek?’ Ga je bed in en neem de tijd om te herstellen.

En dit alles zorgt ervoor, nee ik geloof er heilig in: het maakt me sterker.

Vorige
Vorige

Supplementen: ja of nee?

Volgende
Volgende

Ben ik slecht genoeg?